In 1974 had niemand in Groot-Brittannië ooit ook maar één keer nagedacht over de vraag of ze melk konden verteren.
Het verscheen voor de deur voordat je wakker was, in glas, met de gouden dop opengepikt door een koolmees als je niet snel genoeg bij de deur was. Het ging op je cornflakes en in je thee, en op school kreeg je je derde van een pint door een papieren rietje uit een krat dat sinds half negen in de zon had gestaan, lauw en licht aan het verzuren, en je dronk het omdat je het moest en niemand ging eraan dood.
De kat kreeg de bovenkant van de fles. Je oma had een melkkoffie en een sigaret tegelijkertijd aan de gang. Je vader dronk het bij de pint rechtstreeks uit de koelkast op een warme dag en noemde het een echte drank. De hele straat draaide op dat spul, en niet één persoon erop had een certificaat, een app, of een pak haver en water met 'barista blend' langs de zijkant geschreven.
Niemand was intolerant. Niemand had het woord ooit gehoord. Je dronk melk zoals je lucht inademde, omdat vijfentachtig procent van dit land precies daarvoor is gebouwd, helemaal tot in de genen, duizenden jaren ervan in ons neergedaald.
Toen, ergens tussen de deur en het gedeodoriseerde gangpad, werd ons stilletjes verteld dat het ding waarop we duizend jaar hadden gedijd nu een gevoeligheid was. En een volwassen man staat in 2024 in een rij met haver en water dat meer kost dan de melk die het verving, wachtend om namens de koe zijn excuses aan te bieden aan een barista.
De melk is nooit veranderd. Wij wel.